George Robert Stow Mead werd geboren in Nuneaton, Warwickshire in Engeland op 22 maart 1863. Hij kwam uit een militaire familie – zijn vader was kolonel in het Royal Army Ordnance Corps – maar hij koos ervoor om in plaats daarvan een academische loopbaan te volgen. Hij studeerde klassieke talen aan Cambridge. In 1884 werd hij lid van de Theosophical Society en besloot hij zijn leven te wijden aan de theosofie. Als eerste ging hij oosterse filosofie studeren in Oxford, maar vervolgens was hij genoodzaakt lessen klassieke talen te geven op verscheidene ‘public schools’ (in Engeland zijn dit exclusieve en dure privé-scholen).
Tijdens zijn vakanties werkte Mead als vrijwilliger op het Londense hoofdkwartier van de TS (Theosophical Society) op Lansdowne Road 17 in Bayswater en op een van zijn bezoekjes in mei 1887 ontmoette hij H.P. Blavatsky (HPB) voor het eerst. Hij werd direct door haar geboeid en twee jaar later beloonde HPB zijn toewijding door hem haar absolute vertrouwen te schenken en hem tot haar privé-secretaris te benoemen. Na haar dood herinnerde Mead zich: ‘Zij gaf mij het beheer over al haar sleutels, haar manuscripten, haar schrijfbureau en de ladekastjes waarin zij haar meest vertrouwelijke papieren bewaarde; dat niet alleen, maar zij… weigerde beslist zich te bekommeren om haar brieven en liet mij haar veelomvattende correspondentie overnemen, bovendien zonder deze zelf eerst te openen’ (‘Concerning HPB’ 135).
Behalve het afhandelen van HPB’s correspondentie bewerkte Mead ook de meeste van haar later gepubliceerde boeken, en trad hij op, zonder erkenning, als assistent-redacteur van haar tijdschrift Lucifer, waar hij vanaf het eerste nummer anoniem voor geschreven had. In juli 1890 had Mead ook de rol van voorzitter van de pas opgerichte Europese afdeling van de TS op zich genomen.
Deze nieuwe taak omvatte behoorlijk veel administratief werk, veel reizen en lezingen geven en na de dood van HPB in mei 1891 het redacteurschap van de Vahan, ‘Een platform voor het uitwisselen van theosofische meningen en nieuws’ en in feite het officiële orgaan van de TS in Groot-Brittannië en Europa.
Zelfs zonder Blavatsky bloeide de TS door. In de loop van 1892 redigeerde Mead haar postume Theosophical Glossary. Hij publiceerde ook zijn eigen eerste boek, Simon Magus en redigeerde de opstellen van de ‘oosterse afdeling’ van de Europese afdeling. In de loop van het volgende jaar redigeerde hij, naast zijn bestaande en uitputtende werklast, met Annie Besant de gereviseerde en sterk verbeterde uitgave van De Geheime Leer, maar toen begon de storm zich af te tekenen. H.P.Blavatsky had geen erfgenaam benoemd als het publieke gezicht van de TS; maar de rijzende ster, vooral in Europa en India, was buiten kijf Annie Besant. Maar in Amerika was William Quan Judge de meest vooraanstaande theosoof, die na de dood van HPB beweerde brieven van de Mahatma’s te hebben ontvangen met vertrouwelijke openbaringen voor hemzelf. In juli 1894 werd Judge uiteindelijk opgeroepen te verschijnen voor een rechtscomité van medetheosofen, waaronder G.R.S. Mead. De uitslag was onbevredigend, maar Judge ontsnapte aan veroordeling in het openbaar. Toch werden de beschuldigingen van fraude tegen hem openbaar gemaakt in reeks satirische artikelen in de Westminster Gazette. Als gevolg daarvan ontstond een loopgravenoorlog tussen de pro- en anti-Judgegezinden; er ontstond een bittere pamflettenstrijd en Mead trachtte zonder succes de vrede te bewaren. Het gevolg, in april 1895, was de eerste grote scheuring in de TS, die de meeste Amerikaanse theosofen scheidde van die in de rest van de wereld. Mead gaf zijn volledige steun aan Annie Besant en bleef meer dan tien jaar volstrekt loyaal aan haar, ofschoon hij weigerde geassocieerd te worden met het postume derde deel van De Geheime Leer (1897).
In de negentiger jaren van de 19e eeuw floreerde Meads loopbaan als schrijver. Tegen 1896 had hij nog vier boeken gepubliceerd: The World-Mystery (1895), Plotinus (1895), Orpheus (1896) en Pistis Sophia (1896), waarvan Pistis Sophia het meest significant was maar Orpheus het meest lonend, want het leverde hem het respect op van W.B.Yeats, die voordien had beweerd dat het intellect van Mead leek op dat ‘van een flinke wulk.’ Mead besloot nu zich te concentreren op literair werk en lezingen geven, dus nam hij in april 1898 ontslag als voorzitter van de Europese afdeling. Hij bleef nog een jaar aan als redacteur van de Vahan, maar in september 1897 was hij in feite al de enige redacteur geworden van Lucifer, waarna hij die onmiddellijk de nieuw naam gaf van The Theosophical Review. De naam van Mead verscheen voor het eerst als mederedacteur met Annie Besant in september 1894 (deel 15) en haar naam bleef op de titelpagina tot 1906, maar zij liet het blad helemaal in handen van Mead.
Dank zij de bijdragen en het redacteurschap van Mead had het blad een modicum van academisch respect gekregen. Al in 1893 had Max Mueller, de meest bekende oriëntalist van zijn tijd, Mead bedankt voor zijn lange en gedetailleerde bespreking van Theosophy, of Psychological Religion, de Gifford Lectures van 1892 van Mueller. Mead herinnerde zich later dat Mueller zich echter later afvroeg waarom Mead zijn talenten verspilde aan de theosofie aangezien, zoals hij zei ‘het hele gebied van oosterse studies zich voor mij uitstrekte, waarin hij [Mueller] zo vriendelijk was te denken dat ik nuttig werk kon doen’ (“Concerning HPB” 139). Dit commentaar belicht de langdurigste en belangrijkste bijdrage van Mead aan de TS – wetenschappelijkheid. Tijdens zijn hele periode in de TS was Mead de beste wetenschapper in haar gelederen.
In elke objectieve canon van kritiek zijn de twee literaire monumenten van G.R.S.Mead, Fragments of a Faith Forgotten (1900) en Thrice-Greatest Hermes (1906), zijn twee voornaamste werken. Zij zijn een voorbeeld van alles wat het beste is in zijn toegewijde, erudiete maar uitstekend leesbare studies over de spirituele wortels van christelijke gnostiek en meer in het algemeen van persoonlijke religie in de Grieks-Romeinse wereld. Maar waar zijn werk veel meer dan dit omvatte – Mead was evenzeer op zijn gemak met Sanskrietteksten, patristische (van de kerkvaders) literatuur, het boeddhistische denken en de problemen van de filosofie en het psychisch onderzoek van zijn tijd – hij wijdde zijn intellectuele energie aan de complexe wisselwerking van hellenisme, judaïsme en christendom. Voor Mead werden de subtiele en steeds verschuivende patronen van die ingewikkelde dans van praxis en idee opgesomd in één woord: gnosis.
Maar gnosis is een bedrieglijk eenvoudig woord. In essentie betekent het alleen maar ‘kennis’; maar wat voor soort kennis? Het verwijst niet naar de opeenhoping van feiten door middel van observatie, experiment en deductie, want het houdt zich helemaal niet bezig met de empirische wereld. Voor de Griekse filosofen was gnosis een ‘hogere kennis’, een ‘diepere wijsheid’, niet verkregen door zintuiglijke ervaring maar door innerlijke verlichting. De volgelingen van de mysteriereligies en van de christelijke sekten die als gnostisch geëtiketteerd waren zagen het in een subtiel ander licht; voor hen was gnosis een geheime kennis over de manier waarop de ware gelovige verlossing kan bereiken. Zulke kennis omvatte zowel een openbaring, die een directe visie op de waarheid bood alsook een interpretatie van de visie, die tot volledig begrijpen leidde, dat gegeven werd door een leraar die het zelf ontvangen had van een vorige leraar als deel van een aloude en geheime traditie.
Voor Mead was de fundamentele aard van de gnosis spirituele wetenschap of wijsheid. Het gebrek daaraan was spirituele onwetendheid, ‘de wortel van alle gebondenheid waarmee de mens vastzit’ (‘On the Nature of the Quest’, in Some Mystical Adventures 297). Maar het ligt in de aard van de mens om te zoeken naar ontsnapping aan zulke onwetendheid. Zij zoeken altijd de weg naar het eeuwige en deze zoektocht onderscheidt de mens van de rest van de schepping. Mead schreef (288): ‘Die zoektocht is beslissend en volledig; wanneer zij gevonden is, is dat het begin en einde van alle dingen voor de mens. Het gaat over de diepten en niet over de oppervlakkigheden van de dingen, over leven en niet over dood, over het eeuwige en niet over het tijdelijke. Ongeacht welke onderzoeksroute gevolgd wordt, ongeacht het aantal passen langs de ontelbare paden van het steeds wordende, het uiteindelijke resultaat wordt op geen enkele manier beïnvloed; want het is iets ‘meer’, iets ‘groters’, iets ‘anders’ dan het product of totaal van enige reeks.
Deze ene zoektocht is de zoektocht of roep van de ziel naar dat wat alleen de hele mens volledig kan bevredigen en hem initiatiefrijk en creatief kan maken.’
Die zoektocht dreef Mead bij zijn onophoudelijk onderzoeken van de aloude wijsheid. Die leidde hem van zuiver objectieve historische studie naar innerlijke ervaring – maar zonder ooit zijn fijnzinnige kritische eigenschappen te compromitteren – en het voedde zijn beslissing om de wereld die vertalingen te verschaffen van aloude teksten die zijn echo’s van de gnosis werden.
Tegen 1906, toen de serie begon met de publicatie van Gnosis of the Mind, had Mead acht werken over verscheidene aspecten van de vroege christelijke wereld gepubliceerd en over ‘de theosofie van de Grieken’. Deze hadden tezamen met zijn opmerkelijke vertaling van de Hermetische boeken, zijn reputatie gevestigd als één van de meest vooraanstaande Engelse wetenschappers in zijn zelfverkozen werkgebied – tenminste in theosofische ogen. Gedurende een periode van veertien jaar hadden zijn boeken theosofen en anderen met belangstelling voor esoterische dingen geïntroduceerd in de obscure en moeilijke religieuze literatuur van de Grieks-Romeinse wereld. Wat hij echter nog niet gedaan had was een fundamentele introductie verschaffen van die literatuur, een omissie die de echo’s van de gnosis moest remediëren.
Dat dit literaire motief noch het enige noch het belangrijkste doel was van echo’s van de gnosis werd van begin af aan erkend. A.R. Orage merkte op bij het recenseren van The Gnosis of the Mind (466): ‘wij hebben lange tijd gewacht op zo’n reeks van de heer Mead’ en gaf als commentaar: ‘Maar voor elke bestudeerder die van daaruit geleid wordt tot eerstehands onderzoek van de moeilijkere literatuur, zullen er, mag men hopen, honderd zijn die ook geïnspireerd worden tot het eerstehands onderzoeken van de aard van hun eigen denkvermogen. Deze intentie heeft de heer Mead evengoed helder in het oog gehouden als de eerder genoemde reden.’
Maar Meads goede bedoeling ging ten koste van zijn goede naam in academische kringen. Autoriteiten uit zijn eigen tijd in de werkgebieden van christelijke oorsprong en klassiek heidendom, of het nu theologen waren of classici en ongeacht hun geloof of gebrek daaraan, keken met een schuin oog naar Mead. Niet omdat zij twijfelden aan zijn vaardigheden als vertaler of zijn vermogen om de teksten te begrijpen, maar omdat zij hem zagen als een occultist en daarom fout als objectieve interpreet.
Een aantal tijdgenoten van Mead, vooral Samuel Angus (54,242,302), een prominent geleerde over het nieuwe testament, erkende wel de waarde van zijn werk, maar zij wilden niet helemaal zijn benadering steunen. Mead had het gevoel dat zijn gekozen koers van oprechte maar sympathieke objectiviteit hem in staat zou stellen om zijn lezers ‘echo’s van de mystieke ervaringen en inwijdingsverhalen van hun spirituele voorouders’ voor te zetten, maar de enige gelegenheid waarbij het te ver afdwaalde bij het steunen van de esoterische mentaliteit verdoemde hem voor altijd in de ogen van de wetenschap.
In 1903 publiceerde Mead Did Jesus Live 100 B.C.? – een merkwaardig en origineel werk waarin hij vragen stelde over de traditionele datering van het leven van Christus. Het is een alomvattend en goed onderzochte studie, maar voor de geleerde bevat het één ongelukkig element. Het voorwoord bevat een deel onder het kopje ‘Occult onderzoek’, waarin Mead uitlegt hoe hij materiaal dat verkregen was met helderziende middelen ‘van persoonlijke vrienden, die ik al vele jaren ken’ (18), verkregen en gebruikt heeft. Hij zet de argumenten voor en tegen het accepteren van de geldigheid van zulk materiaal nauwgezet uiteen, en concludeert dat hij ‘niet in staat is a priori enige geldigheid te weigeren aan deze zogenoemde occulte onderzoeksmethoden’ (23). Tegelijkertijd blijft hij sceptisch jegens alles dat niet onafhankelijk geverifieerd kan worden en weigert hij te aanvaarden dat ‘een paar uitverkorenen’ op deze manier kennis kunnen verkrijgen die de arbeid van geleerden en historici teniet doet. Voor de algemene lezer van die tijd was het over het geheel genomen geen onredelijk standpunt maar in een academische wereld die toen bijna uitsluitend werd bevolkt door christelijke theologen en hun rationalistische tegenstanders was het een garantie voor de status van paria.
Op dat moment hinderde dit gevolg Mead niet. Hij was geen orthodox christen en ofschoon hij eerder neigde tot westerse dan tot oosterse spiritualiteit, was hij tevreden met het syncretisme dat heerste binnen de TS, dat zijn natuurlijke thuis was geweest gedurende bijna twintig jaar. Maar het was een situatie die al snel zou veranderen, toen er een eind kwam aan Meads relatie met de ‘persoonlijk vrienden’ – Annie Besant en C.W.Leadbeater – die hem voorzien hadden van de op helderziende wijze verkregen data.
Mead bezag C.W.Leadbeater met afkeurende blik vanwege beschuldigingen over diens privé-leven. Dit leidde tot Leadbeaters opzegging van de TS in 1906. Maar na de dood van kolonel Olcott in februari 1907 werd Annie Besant verkozen tot president van de TS en in januari 1909 nodigde zij Leadbeater officieel uit om zijn lidmaatschap weer op te pakken. Mead verzette zich hevig tegen deze gang van zaken, maar Leadbeater werd opnieuw lid en Mead verliet direct de TS. Hij gaf de theosofie echter niet op, die voor hem de ware gnosis was. In feite hield hij steeds zijn onveranderlijk doel voor ogen en zijn werk ging nog eens dertig jaar door, waarvoor hij het respect kreeg dat zijn vroegere associaties hem onthouden hadden.
Mead stichtte de Quest Society en bij de oprichtingsvergadering in Kensington Town Hall op 11 maart 1909 sprak hij over ‘de aard van de kweeste’. In feite was het een uitbreiding van de officiële doelstellingen van de nieuwe vereniging. Dit waren: 1. Onderzoek en vergelijkende studie van religie, filosofie en wetenschap op basis van ervaring te bevorderen; 2. De expressie van het ideaal in prachtige vormen aan te moedigen.
Aanvankelijk steunden ongeveer 250 leden zowel de openbare als de besloten lezingen en abonneerden zich op het kwartaalblad The Quest. Dit leek helemaal niet op de gebruikelijke vorm die esoterische periodieken hadden. Het bood een forum voor stevig, sympathiek en academisch debat over wat misschien wijds metafysische onderwerpen genoemd kan worden. De mensen die een bijdrage leverden, van Martin Buber en A.K. Coomaraswamy tot Gustav Holst, Ezra Pound en W.B. Yeats, waren allen erkende autoriteiten in hun eigen vakgebied, of dat nu was vergelijkende religie, aloude en oosterse geloofsrichtingen, wetenschappelijk onderzoek, mystiek, literaire kritiek, dichtkunst of muziek. Er was geen officieel dogma, geen belemmering voor andersdenkenden en geen subtiele censuur.
Ondanks voortdurende financiële problemen bloeide The Quest gedurende twintig jaar en Mead ging door met schrijven en onderzoek. Een aantal van zijn latere boeken waren revisies en uitbreidingen van vroegere titels, maar hij publiceerde ook originele werken zoals The Doctrine of the Subtle Body in Western Tradition (Londen, 1919) en belangrijke bijdragen aan gnostische studies, vooral The Gnostic John the Baptizer: Selections from the Mandaean John-Book (Londen, 1924), die zijn erudiete waarde tot op de dag van vandaag behouden heeft.
Na de financiële beursval van 1929 werd (het uitgeven van) The Quest onhoudbaar en Mead hief uiteindelijk zowel het kwartaalblad als de vereniging op in 1930. Tegen deze tijd, en sedert de dood in 1924 van zijn vrouw, Laura Cooper Mead, met wie hij in 1899 getrouwd was, ging Mead zich steeds meer bezighouden met psychisch onderzoek, vooral met de vraag van het overleven, maar niet ten koste van zijn andere interesses. Hij was actief in de Society for Promoting the Study of Religions, en kort voor zijn eigen dood op 29 september 1933 had hij een lezing gegeven over de Mandaeanen op een bijeenkomst van de Royal Asiatic Society. Mead had altijd, niet zoals de meeste van zijn tijdgenoten in zijn uitverkoren onderzoeksgebieden, geprobeerd zijn wetenschappelijke studies te combineren met de zoektocht naar spirituele waarheid; en daarin was hij geslaagd, niet zoals zij.
Als hij een grafschrift zou behoeven, is een verklaring van Mead zelf onovertroffen. Zijn levensdoel wordt uiteengezet in zijn afscheidsrede voor de TS, die hij trouw gediend had gedurende meer dan 25 jaar en die hij niet met boosheid verliet maar met verdriet: ‘Maar ofschoon mijn werk voor de Society voorbij is, zal ik nooit ophouden te werken met liefde en devotie en naar mijn beste vermogen om die onschatbare schatten toegankelijk te maken die te vinden zijn in de hoogste theosofie van alle tradities, hetzij van het verleden of van het heden. In deze theosofie, onder welke naam zij ook bekend is, voel ik mij steeds redelijk zekerder, in plaats van dat ik mijn vertrouwen erin verlies; het is het ene denkbeeld van mijn denkvermogen, de ene liefde van mijn ziel en de ene activiteit van mijn geest’ [‘Farewell’ 48].
R.A. Gilbert, Bristol, Engeland, januari 2004
Vertaling: A.M.I.
Uit: Echos from the Gnosis by G.R.S. Mead
Edited by John Algeo, Introduction by Robert Gilbert, Commentary by Stephan Hoeller
Centennial Edition, Quest Books 2006