De zeven liefdes

Aan de voeten van de Meester is maar een klein boekwerkje maar als spirituele gids is het van groot belang. Hierin worden vier vereisten genoemd voor het Pad. De laatste van deze vier is ‘liefde’. En de Meester wiens lering in dit boekje beschreven wordt zegt dat liefde ‘het belangrijkst is, want als zij sterk genoeg is… dwingt zij ons alle andere vereisten te verkrijgen, en al het andere zou zonder haar nooit voldoende zijn.’ (blz.48).

Door zo de belangrijkste plaats in te ruimen voor liefde staat de Meester op één lijn met een andere grote spirituele leraar, de heilige Paulus, die in een brief aan de Corinthiërs schreef over wat de drie theologische of spirituele deugden genoemd worden: ‘Nu zijn er deze drie: geloof, hoop en liefde, maar de grootste daarvan is de liefde.

Wanneer grote leraren hetzelfde zeggen, in dit geval door de liefde naar voren te halen als het ‘grootste’ of de ‘belangrijkste’ vereiste, is het passend dat wij aandacht besteden aan wat zij zeggen. Maar wat zeiden deze twee grote leraren nu eigenlijk? Wat is die ‘liefde’ waar zij het over hadden? Als wij over ‘liefde’ praten, bedoelen we vaak een vaag soort gevoel of sentimentaliteit, een warm en wollig gevoel verzinnebeeld door roze hartjes en mollige cupidootjes. Maar dat vage gevoel is niet echt liefde; het is slechts een emotionele toestand waarmee sommige vormen van echte liefde gepaard kunnen gaan, en er zijn meer dan één vormen van liefde – zoveel zelfs dat we er niet altijd woorden voor hebben.

Dr. John Algeo is internationaal vice-president van de TS en professor emeritus aan de universiteit van Georgia in de VS.

f-algeo1

140        Theosofia 108/4 · augustus 2007

Over het algemeen wordt aangenomen dat het Engels meer woorden bevat dan enige andere taal ter wereld. Deze grote Engelse woordenschat is ontstaan doordat zoveel mensen de taal gebruiken op zoveel plaatsen voor zoveel doeleinden gedurende een zo lange tijd. The Oxford English Dictionary, het grootste woordenboek voor welke taal dan ook ter wereld, omvat in de huidige uitgave de Engelse woordenschat in twintig dikke delen en beslaat een tijdvak van meer dan duizend jaar. Er zijn voortdurend nieuwe toevoegingen aan de Engelse woordenschat. Een kolom genaamd ‘Over nieuwe woorden’ die elk kwartaal verschijnt in American Speech, het vakblad van de American Dialect Society, documenteert het gebruik van nieuwe Engelse woorden (dat wil zeggen, woorden die nog niet in algemene woordenboeken staan) sedert 1941. Duizenden woorden zijn in die kolom verschenen, maar toch geeft zij slechts een heel klein deel weer van de nieuwe woorden die ieder jaar in gebruik genomen worden.

Maar het hebben van een grote woordenschat en het voortdurend vergroten ervan garandeert niet dat je over de juiste woorden beschikt om over belangrijke dingen te kunnen praten. Ondanks al onze vele oude woorden en alle nieuwe die ieder jaar verschijnen, heeft het Engels nog steeds niet genoeg woorden – tenminste voor sommige begrippen, zoals bijvoorbeeld liefde. Liefde betekent veel verschillende dingen en we hebben niet genoeg onderscheidende woorden om over al die betekenissen te praten.

C.S. Lewis schreef een boek over dat onderwerp. Lewis was eerst wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de universiteit van Oxford en daarna hoogleraar aan de universiteit van Cambridge, maar daarnaast was hij ook een geloofsverdediger van het christendom en een schrijver van fantasieverhalen. Eén van zijn populaire religieuze boeken heette The Four Loves; daarin wees hij erop dat het ene Engelse woord ‘love’ voor vier verschillende begrippen dienst moet doen- begrippen waar sommige talen aparte woorden voor hebben.

Maar het probleem is nog groter dan C.S. Lewis uiteenzette, want (zoals theosofen zouden kunnen verwachten) zijn er zeven soorten liefde, niet slechts vier, en wij hebben namen voor allemaal nodig. Bovendien kunnen deze zeven soorten liefde gezien worden als tot op zekere hoogte overeenstemmend met de zeven beginselen van de theosofie. Laten we nu deze zeven soorten ‘liefde’ beschouwen en dan terugkomen op wat er in Aan de voeten van de Meester staat over dit onderwerp.

Liefde als Begeerte

Ten eerste zeggen we soms dingen als ‘ik houd ervan kaart te spelen’(I love to play cards), of ‘ik houd van chocoladeroomijs’. Als we dat doen, bedoelen we dat kaartspelen of ijs eten ons genoegen verschaft en dus hebben we daar een bepaald gevoel over. Het is een fysiek of zintuiglijk soort liefde, omdat het een gehechtheid is aan een bron van genot. En wij kunnen dit zowel voelen voor mensen als voor dingen. Het is een soort ‘liefde’, ook al is ze egocentrisch omdat het voorwerp van deze liefde alleen gewaardeerd wordt vanwege het plezier dat wij eraan beleven of vanwege de gehechtheid die wij ervoor hebben gekregen. Dit soort liefde is eigenlijk een begeerte.

Liefde betekent veel verschillende dingen en we hebben niet genoeg onderscheidende woorden om over al die betekenissen te praten.

Theosofia 108/4 · augustus 2007        141

Begeerte hoeft niet per se heel erg laakbaar te zijn. Sommige vormen van begeerte zijn tamelijk onschuldig – dat wil zeggen, van het soort dat geen medemens kwetst en dat niet tot het uiterste gaat. Maar andere vormen van begeerte zijn boosaardig – vooral het soort begeerte dat het voorwerp van die begeerte als niets meer dan een lijdend voorwerp behandelt, zonder enige waarde, afgezien van zijn nut bij het bevredigen van onze begeerte daarnaar. Dat soort begeerte noemen wij ‘lust’. Soms doet begeerte-liefde zich voor als een veel hoger soort liefde, bijvoorbeeld wanneer we anderen, of zelfs onszelf, ervan proberen te overtuigen dat wij iets begeren omdat het om bestwil van een ander is, terwijl het in feite alleen maar is wat wij voor onszelf begeren.

Liefde als begeerte is liefde die gericht is op een voorwerp, en dus komt het overeen met het stoffelijk beginsel, de sthûla sharîra of de verdichte vorm van iets. Alle voorwerpen in de wereld zijn sthûla sharîra’s, en elk daarvan kan een voorwerp van begeerte zijn.

Liefde als Vriendschap

In de tweede plaats houden wij van onze vrienden (we love our friends). Een vriend is iemand met wie we interesses delen. Een vriend is iemand met wie we graag dingen samen doen, iemand met wie we dingen gemeen hebben. Toen mijn zoon een tiener was, raakte hij heel geïnteresseerd in schaken en hij kreeg een aantal schaakvrienden. Zij hadden vaak heel weinig met elkaar gemeen behalve hun gedeelde belangstelling voor het schaakspel. In feite wisten ze weinig of niets van elkaar buiten hun interesse voor het schaken. Mijn zoon kon zijn moeder en mij niets vertellen over de gezinnen van zijn schaakvrienden of over hun bezigheden of andere activiteiten, maar hij wist tot in de details aan welke schaakopeningen zij de voorkeur gaven, welk eindspel zij waarschijnlijk zouden spelen en wat zij vonden van de meest recente belangrijke schaakwedstrijden.

Dus de liefde van vriendschap tussen twee personen is gebaseerd op een gemeenschappelijke belangstelling voor iets dat buiten henzelf staat. Twee personen die helemaal geen gemeenschappelijke interesses hebben kunnen nauwelijks vrienden zijn. Zij kunnen wel beleefd tegen elkaar zijn en zelfs hartelijk in de omgang, maar dat is niet hetzelfde als vriendschap. Het woord ‘vriend’ is afgeleid van een oud Germaanse woord dat ‘liefde’ betekent, en die etymologie is betekenisvol, omdat vriendschap ook een soort liefde is.

Omdat liefde als vriendschap gericht is op een ander levend menselijk wezen, kan het gezien worden als overeenkomend met het levensbeginsel, het levensbeginsel van prâna. Prâna stroomt tussen levende wezens en vormt een verbinding tussen hen als het beginsel dat zij delen.

Liefde als Familieband

In de derde plaats is er het gezin of de liefde voor de familie. Dit soort liefde bestaat tussen personen die verbonden zijn door een sociale band, die verantwoordelijk zijn voor en jegens elkaar en tussen wie zich, als gevolg daarvan, een speciaal soort liefde ontwikkelt. Er bestaat een verscheidenheid aan subtypes van. Eén ervan is de ouderlijke liefde die moeders en vaders koesteren voor hun kinderen. Nadat zij de lichamen van die kinderen geproduceerd hebben, voelen de ouders vanzelfsprekend verantwoordelijkheid en liefde voor hen. Het opvoeden van kinderen is zelfs zo’n veeleisende activiteit dat, als ouders niet van nature liefde zouden voelden voor hun kroost, onze soort het gevaar zou  lopen om niet te overleven. Een aanvullende familiaire liefde is die van een kind voor zijn ouders. Ook dit is een natuurlijk en spontaan antwoord van kinderen op de ouderlijke zorg die zij ontvangen hebben. De vader en vooral de moeder zijn de bron van veiligheid, voeding en steun. Dus is het vanzelfsprekend de liefde van dankbaarheid te voelen voor de zorg die men ontvangen heeft. De liefde die zich ontwikkelt tussen leerling en leraar valt hier ook onder, omdat zij ook een familie zijn, zij het veeleer een sociale dan een biologische.

142        Theosofia 108/4 · augustus 2007

Weer een ander soort familieliefde is die tussen broers en zusters, hetzij bloedbroeders en zusters die behoren tot dezelfde gezinseenheid, of verwante broers en zusters die lid zijn van dezelfde organisatorische eenheid, zoals mede-theosofen. Broederlijke of zusterlijke liefde spruit voort uit gedeelde ervaringen binnen het gezin, vanuit onderlinge verplichtingen en zorgtaken en vanuit het gevoel van verbondenheid dat het lid zijn van dezelfde familie teweeg brengt.

Dan zijn er minder goed functionerende  gezinnen waarin de banden van ware familieliefde ontbreken. Maar juist het feit dat wij zulke relaties ‘disfunctioneel’ noemen toont aan dat wij deze situaties beschouwen als abnormaal ten opzichte van wat men verwacht. Het type van zo’n abnormale disfunctie is de moord op Abel door zijn broer Kaïn.

Aan de andere kant zijn Castor en Pollux het type van trouwe broers. Zij waren beiden zonen van de god Zeus, maar van verschillende moeders, de ene een godin en de andere een menselijke vrouw. Dientengevolge was de zoon van de menselijke moeder sterfelijk, terwijl de zoon van de godin onsterfelijk was. Maar de twee broers waren zo aan elkaar gehecht en hadden zo’n grote broederliefde dat, toen het stervensuur van de sterfelijke broer was aangebroken, de onsterfelijke broer zich wendde tot hun goddelijke vader Zeus en vroeg of zij hetzelfde lot mochten delen door de helft van het jaar samen te mogen doorbrengen in de onderwereld, waar overleden mensen verblijven, en de andere helft van het jaar samen te zijn op de berg Olympus, waar de onsterfelijke goden wonen. Zeus was zo ontroerd door de liefde van deze broers voor elkaar dat hij hen beiden onsterfelijk maakte en hen aan de hemel plaatste als sterren, waar wij hen nog altijd kunnen zien als de goddelijke tweeling: de constellatie ‘gemini’.

Familieliefde, vooral de liefde tussen ouder en kind, kan heel krachtig zijn. In de populaire verhalen over de wees Harry Potter omringde de liefde van zijn moeder hem levenslang met een aura of schild als bescherming. Een familieliefde, vooral die tussen ouder en kind, werd door de Meester Confucius opgevat als model voor alle vormen van sociale orde en als schakel tussen zelfontwikkeling en wereldvrede.

Omdat familieliefde van binnenuit groeit en ontstaat uit een  sociale structuur zoals de familie, en omdat zulke sociale structuren relatiemodellen of -patronen zijn, kan familieliefde beschouwd worden als overeenkomend met het beginsel van linga sharîra, de modelvorm of het patroon waarop dingen gebouwd zijn.

Theosofia 108/4 · augustus 2007        143

Liefde als Romance

In de vierde plaats is er romantische liefde. Die kan beginnen met ‘verliefd worden’, maar er bestaan diepere, langduriger variaties van. Zij kan complex zijn en vermengd met de eerste soort liefde – het gehecht zijn aan een bron van genot, of begeerte. Maar het is iets meer dan dat, omdat het gaat om een idealisering van de geliefde. Zo’n vorm van idealisering bereikte in de late middeleeuwen een hoogtepunt in de traditie van de ‘hoofse liefde’, een specifiek westers middeleeuws fenomeen.

De hoofse minnaar was typisch een jonge vrijgezel die geboeid werd door liefde voor een getrouwde vrouw, vaak de echtgenote van zijn leenheer. De liefde die de jongeman voelde was volkomen zuiver en werd nooit geconsumeerd. Maar alles wat hij deed, alle nobele handelingen en alle dappere daden die hij verrichtte waren ter ere van zijn dame. Er zit een echo van deze hoge hoofse romance in de liefde die Dante ervoer voor Beatrice, die de leidsvrouw voor de dichter werd bij zijn pelgrimstocht door het paradijs. Zeker, het ideaal was moeilijk te handhaven en er zijn genoeg voorbeelden van het mislukken ervan, zoals de liefde tussen Lancelot en Guinevere, die de echtgenote was van Lancelots heer, koning Arthur, en wiens beantwoorde liefde de ondergang betekende van de Ronde Tafel en van Camelot.

Maar romantische liefde is niet zomaar het domein van de literatuur – noch van de hoogstaande literatuur van de late middeleeuwen, noch van de populaire lectuur van zogenaamde ‘soap operas’, films en romannetjes. De basis ervan ligt in de menselijke ervaring. De psycholoog Carl Jung suggereerde dat wanneer een man verliefd wordt op een vrouw, of een vrouw op een man, die persoon zijn of haar anima of animus geprojecteerd heeft op iemand van het andere geslacht. Jung heeft een theorie over archetypen, of overgeërfde complexen van concepten, emoties, idealen en symbolen. Iedere man heeft een archetype genaamd de ‘anima’, dat een personificatie is van zijn eigen onbewuste als een vrouwelijk ideaal; en iedere vrouw heeft een archetype genaamd ‘animus’ dat een personificatie is van haar eigen onbewuste als een mannelijk ideaal. Als wij uiterlijk man zijn, zijn wij innerlijk vrouw en andersom. Als wij jong zijn gaan wij door het leven, op zoek naar een belichaming van onze eigen onbewuste kant. ‘Verliefd worden’ is alleen maar de projectie van ons anima- of animus- archetype op een ander menselijk wezen.

Maar romantische liefde heeft ook nog een ander, mystiek aspect. De relatie op basis van romantische liefde wordt gezien als symbool van de relatie die bestaat tussen een menselijk wezen en God – waarbij God een personificatie is van de goddelijke natuur in ons en overal om ons heen. Zulke symboliek is te vinden in het bijbelse Hooglied van Salomo, in de mystieke Soefi- dichtkunst, in de geschriften van sommige christelijke mystici en in de legende van Krishna en de melkmeisjes. Romantische liefde omvat dus een heel scala van het gewone, persoonlijke tot het mystieke, symbolische. Dus het is een goed vierde of middelpunt op de schaal van de zeven liefdes.

144        Theosofia 108/4 · augustus 2007

Bovendien komt romantische liefde, als middelste van de zeven liefdes, overeen met het middelste menselijke beginsel, kâma. Kâma is niet alleen de begeerte naar lichamelijke bevrediging; het is de passie voor schoonheid en romantische volmaaktheid.

Liefde als Huwelijkse Staat

Op de vijfde plaats staat echtelijke liefde. Deze is nog complexer en kan aspecten bevatten van alle andere soorten liefde. Zij verenigt het lagere viertal van liefdes dat wij al bekeken hebben, dat wil zeggen, gehechtheid aan genot, vriendschap, familieliefde en romantische liefde. Bovendien vermengt zij, als eerste van het hogere drietal liefden, aspecten van de volgende twee soorten liefde. Maar terwijl echtelijke liefde aspecten weerspiegelt van alle andere liefden, verschilt zij van alle andere. Het Engelse woord ‘conjugal’, ons ‘echtelijk’, komt van een Latijnse wortel die betekent ‘verbonden’, en het centrale deel van het woord, ‘jug’, heeft dezelfde wortel als yoga. Echtelijke liefde is een speciale vorm van verbinden of verenigen die zich richt op iemand anders in wat de christelijke traditie een sacramentele (heilig of heel-makend) relatie noemt.

Romantische liefde wordt vaak symbolisch gebruikt om één stadium te vertegenwoordigen van de relatie tussen de menselijke ziel en de goddelijke overziel: het stadium van hofmaken of kennismaken, wanneer ieder leert over de ander. Echtelijke liefde, aan de andere kant, wordt gebruikt om de vervulling van die relatie weer te geven: het huwelijk van het menselijke en het goddelijke. Deze symboliek is vooral sterk in de mystieke joodse traditie, waarin het huwelijk van een man en een vrouw een symbolische belichaming is van de verbintenis tussen mensheid en goddelijkheid. Dientengevolge wordt zelfs in het niet-mystieke jodendom de gehuwde staat beschouwd als de norm, en niemand wordt gezien als compleet en heel die niet met een ander in de huwelijkse staat verbonden is.

Echtelijke liefde is niet alleen symbolisch in het jodendom, maar ook in andere tradities, zoals in de alchemie, met zijn symbool van de hiërogamie of het heilig huwelijk. Dit heilige huwelijk symboliseert een eenheid of yoga binnenin onszelf: het verenigen van de persoonlijkheid met de individualiteit. Het doel van iedere incarnatie is om die eenheid te bereiken en elke incarnatie is een succes in zoverre als de persoonlijkheid van dat leven ‘gehuwd kan zijn’ of geabsorbeerd kan worden in de voortdurend reïncarnerende individualiteit en aldus onsterfelijkheid kan bereiken.

Zulke mystieke betekenissen worden vertegenwoordigd door één der meest voorkomende menselijke relaties: een paar dat bestaat uit echtgenoot en echtgenote. In een goed mensenhuwelijk is de relatie tussen man en vrouw er één van onderlinge zorg en bezorgdheid. Het is een relatie waarin waarden, standpunten, activiteiten, hoop en aspiratie samengaan. Echtelijke liefde maakt niet alleen één vlees uit twee, maar ook één denkvermogen uit twee en één intentie uit twee. Geen enkel mensenhuwelijk is volmaakt, zoals er niets in de wereld van manifestatie volmaakt is. Maar naarmate ieder mensenhuwelijk het ideaal van echtelijke liefde benadert, wordt het de poort tot de innerlijke tempel der liefde, waarin de twee hoogste aspecten van de liefde opgeborgen zijn.

Theosofia 108/4 · augustus 2007        145

Aangezien echtelijke liefde, zowel in werkelijkheid als symbolisch gezien, een eenheid omvat van vrouw en man, komt zij overeen met het vijfde beginsel, manas, dat ook een vereniging is van twee denkvermogens, meestal genaamd ‘lager’ en ‘hoger’, maar misschien juister ‘empirisch’ of ervaringsgericht en ‘rationeel’. Het denkvermogen of manas, dat tweevoudig is, is ook de poort naar de twee hoogste beginselen.

Liefde als Altruïsme

De zesde soort liefde is er een die H.P. Blavatsky ‘altruïsme’ noemde en die in sommige vertalingen van de Brief van Paulus aan de Corinthiërs ‘caritas’ genoemd wordt in het Latijn en ‘agape’ in het Grieks. Dit is een liefde die het beste voorheeft met anderen, zonder dat we aan onszelf denken. Het is helemaal geen emotie, ook al gaat het om mededogen.

Over altruïsme zei Blavatsky dat het de essentie van theosofie is. Het is een liefde voor anderen, gebaseerd op wie zij werkelijk zijn – niet op wie ze denken dat ze zijn of op wie wij denken dat zij zijn, maar op wie zij werkelijk en waarachtig zijn. Wij allen zijn vonken van hetzelfde goddelijke vuur; wij zijn allen uitingen van hetzelfde goddelijke woord; wij zijn allen eenheden (of ‘monaden’) van dezelfde goddelijke Eenheid. Beseffen dat zowel wij als alle anderen dezelfde ultieme identiteit hebben als belichamingen van het Ene Leven is handelen met respect jegens alle anderen op een volkomen nieuwe manier. Het betekent hen altruïstisch tegemoet te treden, dat wil zeggen jegens hen te handelen met respect op een manier die het beste met hen voorheeft – in het licht van hun reële en eeuwigdurende welzijn en dat is immers ook wat het beste is voor ons.

Het menselijk beginsel waarmee altruïsme overeenkomt is buddhi, wat inzicht, mededogen en onderscheidingsvermogen betekent. Het principe van altruïsme vormt de basis van de ethiek van de grote Leraren van de mensheid. Het is Christus’ Gouden Regel: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’. Het is Confucius’ wederkerigheidsprincipe: ‘Behandel anderen niet zoals u zelf niet behandeld wilt worden’. Die eenvoudige morele principes zijn buitengewoon praktisch, omdat zij gegrondvest zijn in de erkenning van de onderliggende eenheid van alle leven en in een besef dat er uiteindelijk geen anderen bestaan.

Liefde als Eenheid

De zevende liefde is een soort die soms ‘toewijding’ genoemd wordt. Dat is er geen goede naam voor, maar het is moeilijk een betere te vinden. Het is de liefde die Aan de Voeten van de Meester identificeert als de vierde vereiste voor het Pad. En dat boek geeft als commentaar: ‘Vaak wordt zij uitgelegd als een intens verlangen naar bevrijding uit de kringloop van geboorten en dood en tot eenwording met God. Maar… het is niet zozeer verlangen als WIL, wilsbesluit en vast voornemen… dit vaste besluit moet uw hele wezen vervullen, zo dat er geen plaats voor enig ander gevoel overblijft. Het is inderdaad de wil om één te zijn met God… opdat gij door uw diepe liefde voor Hem zult handelen met Hem en zoals Hij doet. Daar Hij Liefde is, zoudt gij, zo gij één met hem wilt worden, ook vervuld moeten zijn van volmaakte onzelfzuchtigheid en liefde.’ (blz.48,49).

146        Theosofia 108/4 · augustus 2007

Dit is een liefde, gericht op de grote Eenheid van alle leven, op de ene bron van het al, op God, of Hij nu persoonlijk begrepen wordt of onpersoonlijk. Daarom zouden wij het misschien ‘Eenheid’ kunnen noemen. Aangezien het gericht is op het hoogste en grootste, omvat het al wat goed is in alle andere liefdes. In haar Collected Writings, 12:55, schrijft Blavatsky dat ‘Alaya de “Wereld Ziel” [is], waarvan de essentie LIEFDE is’.

Deze eenheid komt overeen met het beginsel van eenheid in ons, atma. En zoals atma als voertuig buddhi heeft, zo heeft deze liefde van eenheid als voertuig de eraan voorafgaande liefde van altruïsme als voertuig. Aan de voeten van de Meester geeft verder als commentaar dat de liefde van God, van de Eenheid in het universum, twee heel praktische consequenties heeft: ‘Vooreerst, dat gij zorg zult dragen geen levend wezen te deren, en in de tweede plaats dat gij steeds zult uitzien naar een gelegenheid om te helpen.’ Deze twee dingen zijn precies de twee principes die reeds genoemd zijn als impliciet in het buddhische beginsel van altruïstische liefde. De eerste consequentie, ‘geen levend wezen te deren’, is het principe van ahimsa en het Confuciaanse wederkerigheidsprincipe: behandel anderen niet op een manier waarop u zelf niet behandeld wilt worden. De tweede consequentie, ‘steeds uitzien naar een gelegenheid om te helpen’ is op soortgelijke wijze het principe van de barmhartige Samaritaan en van Christus’ gouden regel: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’

Zeven Liefdes of Eén?

Bij een eerste beschouwing lijken deze zeven soorten liefde misschien zo verschillend van elkaar, dat wij ons af kunnen vragen of zij ook maar iets gemeen hebben, of zij wel hetzelfde zijn. Maar het feit dat het Engels en andere talen maar één woord voor al die begrippen hebben blijkt geen tekortkoming van de taal te zijn maar, integendeel, een stukje wijsheid. Wat alle zeven liefdes gemeen hebben is een brandpunt, focus buiten onszelf.

Bij gehechtheid aan een bron van genot ligt het brandpunt niet heel ver buiten onszelf, maar wel op een rudimentaire manier, omdat zij gericht is op de bron van genot in plaats van op het innerlijk genot zelf. Bij vriendschap ligt de focus op een activiteit of interesse die we delen met een ander. Bij familieliefde ligt zij op de band die ons met een ander verbindt. Bij romantische liefde ligt zij op een ideaalbeeld. Bij echtelijke liefde ligt zij op een andere persoon als een kanaal van genade. Bij altruïsme ligt zij helemaal op anderen. En in de wil tot Eenheid, in zijn zuiverste vorm, houdt het onderscheid tussen onszelf en het niet-onszelf helemaal op te bestaan.

Aangezien alle zeven liefdes ons buiten onszelf brengen, hebben ze allemaal de mogelijkheid tot omzetting (convertible). Sommige gemakkelijker en rechtstreekser dan andere, maar tenslotte kan elk ervan getransformeerd worden in een andere. Dat is wat de term ‘platonische liefde’ werkelijk betekent. Tegenwoordig denken we vaak dat platonische liefde een soort vriendschap is. Maar Plato erkende dat elke vorm van liefde getransformeerd kan worden tot de liefde voor het Goede, het Ware en het Schone – dat wil zeggen, tot de liefde voor het Ene, de wil tot Eenheid, die blijvend is. Zoals de Meester zegt in Aan de voeten van de Meester, deze liefde ‘dwingt [ons] alle andere vereisten te verkrijgen en al het andere zou zonder haar nooit voldoende zijn.’ (blz.48).

Theosofia 108/4 · augustus 2007        147

Deze zeven liefdes kunnen gezien worden als bijzondere manifestaties op de verscheidene gebieden en in verscheidene omstandigheden van één enkele alomtegenwoordige en zeer sterke kracht, die de Goddelijke liefde is waarvan Dante zegt dat zij de zon en de overige sterren beweegt. Zoals licht één ding is, dat wij nooit rechtstreeks zien, maar alleen naarmate het weerspiegeld wordt door sommige voorwerpen, zo ligt de Goddelijke liefde die de zon en de overige sterren beweegt voorbij ons vermogen tot rechtstreekse waarneming; wij zijn ons er alleen maar van bewust naarmate het weerspiegeld wordt in ons leven als één of andere van die speciale krachten die wij liefde noemen.

Een andere metafoor, ook op licht gebaseerd, drukt de relatie uit tussen de goddelijke liefde en de zeven liefdes die wij zojuist in ogenschouw namen. Kleurloos licht kan uiteenvallen in de zeven kleuren van de regenboog. Elk van die kleuren is licht, maar licht in slechts één deel van het totale spectrum. De Goddelijke liefde die de Zon en de overige sterren doet bewegen valt op soortgelijke wijze uiteen in de zeven soorten liefde die we hierboven bestudeerd hebben. Al die zeven zijn liefde, maar het zijn slechts beperkte aspecten van de Goddelijke Liefde, die wij niet in staat zijn rechtstreeks te ervaren. Voor ons moet de Goddelijke Liefde uiteenvallen in vormen van liefde waarmee wij kunnen omgaan. Sommige van die uiteengevallen vormen liggen dicht bij de ene Liefde; sommige liggen er iets minder dicht bij, maar alle zijn zij er afspiegelingen van.

Misschien zijn talen wel wijzer dan wij denken. In werkelijkheid is er maar één liefde, waarvan alle specifieke liefdes en alle soorten liefde een uitdrukkingsvorm zijn. Wij hebben niet echt nieuwe woorden nodig voor de liefde. Alles wat we nodig hebben is een nieuw begrijpen van wat Liefde is.

Uit: The Theosophist, september 2003
Vertaling: A.M.I.

Terwijl de wetenschap de relationele structuur van het eindeloos gedifferentieerde universum onthult, verschaft de spiritualiteit ons een blik
op het mysterie van het Zijn, de uiteindelijke grond van datzelfde universum, de tijdloze diepte-dimensie van het kosmisch geheel.


Haridas Chaudhuri

148        Theosofia 108/4 · augustus 2007

Terug naar Theosofische Vereniging Website