Een Blavatskyaanse theologie?

Kort na het overlijden van Madame Blavatsky, in 1891, viel haar groep studenten in Londen op natuurlijke wijze uiteen, aangezien ze geen opvolger aangewezen had om haar werk als leraar in de esoterische filosofie voort te zetten. Sommige studenten bleven werken voor de Theosofische Vereniging met Adyar in India als hoofdkwartier, terwijl anderen besloten om W.Q.Judge te volgen toen hij in 1895 de afscheiding van de Amerikaanse Afdeling (zoals die toen werd genoemd) van de moedervereniging leidde.

Het is heel natuurlijk en menselijk dat diegenen die het grote voorrecht hadden om met iemand als HPB te studeren en te werken, niet alleen een grote affectie voor haar ontwikkelden, maar ook een diep gevoel van loyaliteit tegenover haar en haar werk. Tenslotte was zij de belichaming van de levende theosofie, die geest van zowel volkomen zelfopoffering in dienst van de mensheid als van diepgaande wijsheid en inzicht, terwijl zij tegelijkertijd een dynamisch mens was, zoals haar humeur en emotionele reacties duidelijk lieten zien.

Maar als we terugkijken naar die periode na haar dood, kunnen we ook achteraf het begin zien van wat nu wel genoemd wordt de ‘Blavatskyaanse theologie’, die gedefinieerd kan worden als de veronderstelling dat alleen wat Madame Blavatsky en haar Leraren schreven theosofie is. Diegenen van haar studenten en anderen die hielpen om vorm te geven aan zo’n ‘theologie’ werden natuurlijk gedreven door hun diepe loyaliteit tegenover haar, maar zagen klaarblijkelijk haar vele waarschuwingen tegen zo’n theologie, die op verschillende plaatsen in haar geschriften voorkwamen, over het hoofd. Daardoor wordt in de wereldvisie die de ‘Blavatskyaanse theologen’ presenteren, zo’n belang gehecht aan HPB’s geschriften, dat het lijkt op de houding van de fundamentalistische sekten t.a.v. de Heilige Schrift: een monolitische, onbetwistbare en door God verordonneerde leer, waarover geen vragen mogen worden gesteld, waar geen onderzoek naar mag worden gedaan en die niet onderzocht mag worden.

Pedro Oliveira is afgestudeerd in de filosofie en is voorzitter van de Indo-Pacific Theosophical Federation.

f-oliveira

Theosofia 107/5 · oktober 2006        179

Het is misschien nuttig om ons een paar van Madame Blavatsky’s waarschuwingen vooraf te herinneren tegen een ‘Blavatskyaanse theologie’.

Als abstract lichaam, gelooft de Vereniging niet in iets, zij aanvaardt niets en onderwijst niets.1

De Theosofische Vereniging heeft geen officiële leer. Dit kan sommige leden verontrusten, maar het is een feit. Als de Theosofische Vereniging ooit een officiële leer aanneemt zal dit haar einde betekenen, want het zou betekenen dat de geest van onderzoek, die essentieel is voor theosofie, verloren zou zijn. Het feit dat de vereniging geen officiële leer heeft, betekent niet dat theosofie ondergeschikt is aan het werk. Integendeel, het is het echte hart van het werk. Maar hier moeten we in gedachten houden dat theosofie, zoals HPB zo vaak in haar geschriften heeft genoemd, in haar diepste betekenis altruïsme is, een begrijpen van het leven en de relaties daarbinnen, geleid door wijsheid en niet alleen door kennis, in de gewone betekenis van dit woord. Zij schreef herhaaldelijk dat de studie van theosofie het denken en het hart zou moeten zuiveren en zo tot een leven van actieve, zelfloze dienst zou moeten leiden. HPB’s uitspraak, die hierboven is aangehaald, maakt het heel duidelijk dat het werk van de Theosofische Vereniging niet gebaseerd is op geloof, aanvaarding of autoriteit.

Het volgende werd door haar al in 1888 geschreven en het is interessant te bedenken dat dat  hetzelfde jaar was waarin  De Geheime Leer werd gepubliceerd.

Orthodoxie in theosofie is noch mogelijk noch gewenst. Het is juist de verscheidenheid van meningen, binnen bepaalde grenzen, die de Theosofische Vereniging levend en gezond houdt, niettegenstaande de vele andere lelijke trekken (die zij heeft). Als dat niet zo zou zijn, zouden, mede omdat er heel veel onzekerheid heerst in het denken van de studenten in de theosofie,  zulke gezonde afwijkingen onmogelijk zijn en de vereniging zou degenereren in een sekte, waarin een bekrompen en stereotype geloof de plaats zou innemen van de levende en ademende Waarheid en een steeds toenemende Kennis.2

Duidelijker kan het toch niet geformuleerd worden als waarschuwing tegen het dogmatische op het gebied van theosofische studies. Verscheidenheid van mening is belangrijk, want we kunnen van elkaar leren dat geen (enkele) mening ooit de Waarheid kan vertegenwoordigen. In een heel bekende passage in de Majjhimanikaya verklaarde de Boeddha: ‘De Tathagata heeft geen mening.’ Hij die volledig tot de Waarheid ontwaakt was, had geen bijzondere opvattingen over het leven en de gecompliceerdheid er van. Dat had hij ook niet nodig, want hij kon het leven tot op zijn diepste niveau zien. De theosofische leer verwijst ook naar dezelfde ervaring van de eenheid van al het bestaan, wanneer het denkvermogen eenmaal ontdaan is van zijn eeuwenoude geconditioneerdheid: het diepgewortelde gevoel van afgescheidenheid van de rest van het bestaan. Elke vorm van er een mening op nahouden is zowel geworteld in gehechtheid als in gewichtigheid, wat noodzakelijkerwijs de individuele zoeker afleidt van het pad van wijsheid en mededogen. Daarom staat een fundamentalistische of orthodoxe visie op theosofie lijnrecht tegenover de geest van de wijsheidstraditie, die een geest van onafgebroken onderzoek en verwezenlijking is van de tijdloze principes ervan om ze ten goede te laten komen aan al het bestaande.

HPB herhaalde deze opvatting in een andere brief van haar aan de Amerikaanse conventies:

180        Theosofia 107/5 · oktober 2006

Daarom is de ethiek van de theosofie zelfs noodzakelijker voor de mensheid dan de wetenschappelijke aspecten van de psychische feiten van de natuur en de mens.3

Aanhangers van de ‘Blavatskyaanse theologie’ zijn er altijd op gebrand om de beschrijvende aspecten te benadrukken van de universele processen zoals die worden weergegeven in De Geheime Leer, die de voornaamste tekst is van de moderne theosofie. En als een auteur van de zogenaamde ‘tweede generatie’ zijn of haar opvatting van de leer weergeeft, in zijn of haar eigen woorden zonder noodzakelijkerwijs zich te conformeren aan de ‘heilige schrift’, wordt hij/zij automatisch gebrandmerkt als ‘verrader van de oorspronkelijke theosofie’. Echter, de uitdrukking ‘oorspronkelijke theosofie’ is een contradictio in terminis, want deze suggereert,  dat de theosofie in 1880 begon met de publicatie van De Geheime Leer, hetgeen absoluut onhoudbaar is, want Madame Blavatsky verwijst keer op keer in dat werk naar De Geheime Leer als synoniem van de Archaïsche Esoterische Wijsheid die in alle eeuwen bestond.

Toch legden een paar studenten een zeer grote nadruk op dienstbaarheid als de kern van een theosofisch leven, zoals Annie Besant en C.W. Leadbeater, die na de dood van HPB verder gingen met het aanbieden van de theosofie aan de wereld  zoals zij die begrepen, en die gaarne de aanbeveling volgden in de brief van de Maha Chohan om ‘de kennis van de theosofie te populariseren’. Zij hebben misschien controversiële uitspraken gedaan, zij hebben misschien fouten gemaakt bij het beschrijven van hun observaties van het leven en de natuur, maar zij hebben heel helder het ethisch verband tussen kennis en dienst duidelijk gemaakt: hoe groter onze kennis is, des te groter is onze verantwoordelijkheid om deze als werktuig te gebruiken voor het algemene nut van alle schepselen. Annie Besant liet in haar geschriften ook de geest van non-dogmatisme weerklinken, die essentieel is bij het bestuderen van de theosofie:

Geen enkele intellectuele mening is het waard om er op na gehouden te worden tenzij deze is verkregen door de individuele inspanning van de persoon die die mening er op na houdt.

Het is veel gezonder om onze intelligentie te oefenen, zelfs al komen we tot verkeerde conclusies en vormen wij een onjuiste mening, dan eenvoudigweg als papegaaien na te praten wat andere mensen zeggen, en op deze manier iedere mogelijkheid tot intellectuele ontwikkeling uit te sluiten.4

Is het volgende misschien ook een waarschuwing van HPB tegen dogmatisme en afgescheidenheid?

Er zijn veel energieke leden van de Theosofische Vereniging die willen werken en die hard werken. Maar de prijs van hun hulp is dat al het werk op hun manier gedaan moet worden en niet op de manier van iemand anders. En als dit niet gebeurt, dan zinken zij weg in apathie of verlaten de vereniging helemaal, terwijl zij luid verkondigen dat zij de enige ware theosofen zijn. Of, als zij blijven, proberen zij hun eigen manier van werken op te hemelen ten koste van al die andere eerlijke werkers. Dit is een waarheid, maar het is geen theosofie.5

Wat maakt dat iemand gelooft dat zijn of haar mening of methode van werken de enig juiste is?

Wat maakt dat een student gelooft dat alleen een bepaalde voorstelling van theosofie de juiste is en dat alle andere voorstellingen ofwel verkeerd zijn, of dat er mee geknoeid is?  Is er een diepgaande onzekerheid in hun denken, zodat zij daarom een stevig en vast beeld nodig hebben van de werkelijkheid dat nooit verandert? Wordt hun zelfbesef bedreigd door de onophoudelijke beweging van de werkelijkheid? Wat de antwoorden ook op deze vragen mogen zijn, het wordt duidelijk door de opmerkingen van HPB dat nederigheid en een open denkvermogen de essentiële kwaliteiten zijn voor hen die voor de theosofie willen werken, wat zoeken naar Waarheid is ‘op een vrije en onbevreesde manier.’ Er zijn zoveel dingen die we niet weten en onze huidige kennis vertegenwoordigt slechts een piepklein deel van het bestaan als geheel. Zoals Annie Besant schreef:

Theosofia 107/5 · oktober 2006        181

Er werd eens door een aanhanger van de christelijke geschriften gezegd, dat zij ondiepe plekken bevatten waarin een kind zou kunnen waden en diepten waar in een reus zou moeten zwemmen. Iets dergelijks kan ook van de theosofie gezegd worden, want sommige leringen zijn zo eenvoudig en zo praktisch, dat ieder mens met een doorsnee-verstand deze kan begrijpen en navolgen, terwijl andere leringen zo verheven en diepgaand zijn, dat de meest deskundige zijn verstand geweld moet aandoen om deze leringen te bevatten en uitgeput neervalt in de poging daartoe.6

Tenslotte kan het belangrijk zijn om ons te realiseren dat theosofie, paradoxaal genoeg, geen leer is die op kennis gebaseerd is, maar op wijsheid, zoals het woord theosofie zelf aangeeft.  Wijsheid kan nooit beperkt worden tot kennis, want het is een directe ervaring van het heilige hart van alle bestaan, welke het menselijk denkvermogen volledig transformeert en het binnenvoert in een ruimte die nooit door het denken ervaren wordt, een kennis van de dingen zoals ze zijn (epopteia). Een van HPB’s leraren verwees in een brief aan A.P. Sinnett, een van de meest vooraanstaande leden van de Theosofische Vereniging in die tijd (1883) naar deze diepere dimensie in het leven en waarschuwde hem voorzichtig voor het angstvallig vastklampen aan het gedrukte woord:

U hebt met alle beginners de neiging gemeen om uit ten dele begrepen aanwijzingen te absolute en scherpe conclusies te trekken, en op grond hiervan te dogmatiseren, alsof het laatste woord is gesproken. U zult hierin te zijner tijd verbetering brengen. U zult ons misschien, ja zelfs meer dan waarschijnlijk, verkeerd begrijpen, want onze taal moet altijd min of meer die van parabelen en suggesties zijn, wanneer wij verboden terrein betreden; wij hebben onze eigen bijzondere wijze van uitdrukken en wat zich achter het scherm van de woorden bevindt, is nog belangrijker dan wat u leest. Maar desondanks – PROBEER.7

Verwijzingen:

1 H.P. Blavatsky Collected Writings, compiled by Boris de Zirkoff, vol. XI, p. 124, Theosophical Publishing House (THP), Wheaton, USA, 1973.

2 H.P. Blavatsky to the American Conventions 1888-1891, Theosophical University Press (TUP), Pasadena, 1979, p. 5.

3 Op.cit., p. 16.

4 Besant, Annie, Investigations into the Super-Physical, Adyar Pamphlets No. 36, TPH, Madras, 1913, p. 3.

5 H.P. Blavatsky to the American Conventions 1888-1891, TUP, Pasadena, 1979, p. 19.

6 Besant, Annie, The Ancient Wisdom, TPH, Madras, 1998 ed., p. 1.

7 De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, samengesteld door A.T. Barker, juli 1883, brief 59 blz. 386 e.v. Chronological letter III, p.380.


Uit: The Theosophist, april 2003

Vertaling: EKB


Verwerkelijk uw Eenvoudige Zelf,
Omarm uw Oorspronkelijke Natuur.

 Tao Te Ching XIX  

182        Theosofia 107/5 · oktober 2006

Terug naar Theosofische Vereniging Website