Annie Besant en Krishnamurti

twee grote zielen op zoek naar waarheid

Dr. Annie Besant en Sri J. Krishnamurti (gewoonlijk Krishnaji genoemd) waren twee grote zoekers naar Waarheid. Zij werden beide geïnspireerd en beïnvloed door theosofische idealen die aangeven dat Waarheid de hoogste religie is. Hun leven was zo toegewijd aan het onderzoek naar waarheid dat zij bereid waren er alles voor op te geven. Hoewel ik Dr. Besant nooit heb ontmoet, denk ik dat er veel misverstand bestaat over haar relatie met Krishnaji. Daarom wil ik in dit artikel een ander beeld naar voren brengen dat gebaseerd is op persoonlijke kennis en op de literatuur die ik heb gelezen.

De autobiografie van Dr. Besant geeft duidelijk aan dat zij nooit schipperde met wat ze zag als waarheid, ongeacht de prijs die ze ervoor moest betalen, zelfs voordat zij zich aansloot bij de Theosophical Society en naar India ging. Niets kon tussen haar en haar waarneming van Waarheid komen – geen religieus geloof, geen familie en geen vrienden. Als ze zag dat iets fout was of onrechtvaardig, liet ze het onmiddellijk vallen en ging achter de waarheid aan door haar leven onbevreesd te veranderen. Het moet deze eigenschap in haar geweest zijn die Krishnamurti deed antwoorden op een vraag waarom de mensen het zo moeilijk vinden om de waarheid van zijn leringen te begrijpen: “Als Amma (Dr. Besant) jonger was geweest, zou ze het begrepen hebben, meneer.” Ik geloof dat het in 1985 was dat hij me vertelde, dat een onbevreesde passie voor waarheid zoals Dr. Besant die bezat nodig is om het voor iemand mogelijk te maken al de conditioneringen uit het verleden te doorbreken en de waarheid waarover hij spreekt te kunnen waarnemen.

P. Krishna is lid-voor-het-leven (life-member) van de Theosophical Society (hierna: TS) en bestuurslid van de Krishnamurti Foundation in India.

Dit artikel komt ook als top-artikel op de website www.theosofie.nl
f-krishna

142        Theosofia 107/4 · augustus 2006

Datzelfde jaar in Varanasi, toen Krishnaji me vroeg om zijn scholen in Rajghat te gaan beheren, vroeg hij ook: “Meneer, heeft u gelezen over Dr. Besant?” Ik zei: “Een beetje, meneer. Ik heb haar autobiografie gelezen, maar niet veel meer, omdat ik bezig was met mijn natuurwetenschappelijke studie.” “U moet over haar lezen meneer. Ze was een buitengewone vrouw!” Voor zover ik weet, prees Krishnaji nooit iemand en  maakte nooit reclame voor literatuur, ik was dus verbaasd dat hij een uitzondering maakte!

De meeste mensen denken dat Krishnamurti het bestaan van de Meesters ontkende en dat het een grote wanklank creëerde tussen hem en Dr. Besant, die daardoor in hem teleurgesteld zou zijn. Dat is een misverstand. In werkelijkheid was Krishnaji tegen een gemakkelijk geloof en tegen de afhankelijkheid van elke uiterlijke bemiddeling voor hulp. Toen Sri Mahesh Saxena  (een vroegere secretaris van de Krishnamurti Foundation in India) hem in Rajghat vroeg: “Meneer, ontkent u de Meesters?” zei Krishnaji tegen hem: “Nee meneer, ik heb het bestaan van de Meesters nooit ontkend, maar Leadbeater en Arundale trokken dat wat subliem was in het belachelijke en ik ontkende het belachelijke”. In 1958, toen ik Krishnaji in Delhi ontmoette vroeg ik hem: “Meneer, ik heb gelezen dat men in de Esoterische afdeling boodschappen van overleden geesten doorgaf en met hen sprak. Was dat allemaal hallucinatie?” Hij antwoordde: “Nee meneer, die dingen bestaan. Het is een andere energie. Het heeft niets te maken met goedheid; daarom ben ik er niet in geïnteresseerd. Natuurlijk is het denken ook in staat tot het hebben van hallucinaties”. Ik begreep daaruit dat hij me vertelde dat het bevrijden van het bewustzijn van het ego veel belangrijker is dan het cultiveren van vermogens en dat geldt ook voor occulte vermogens, omdat die ook door het ego misbruikt kunnen worden.

Een andere keer, toen Krishnaji bij Dr. Radha Burnier was, vroeg hij haar: “Radhaji, geloof je in de Meesters?” en ze zei: “Ja, meneer,” Hij zei fel: “Nee, niet op die manier. Weet je wat het betekende voor Amma? Ze zou haar leven ervoor gegeven hebben! Nu je dat weet, zeg me, geloof je in de Meesters?” Radhaji herhaalde: “Ja, meneer!” waarna Krishnaji antwoordde: “Goed zo!”

Deze antwoorden verwijzen naar een terugkerend thema in Krishnaji’s leringen. Voor hem was het vasthouden aan een concreet idee of begrip een hindernis voor het waarnemen van een dieper liggende waarheid, die dan voor altijd vast blijft liggen als het onbekende en niet te voorschijn kan komen uit het bekende, omdat slechts de directe waarneming van waarheid het bewustzijn transformeert en niet het geloof in een idee erover. Geloof zonder waarneming wordt keuze die egoïstisch is; het veroorzaakt verdeeldheid en ook schijnheiligheid. Als men daarentegen de waarheid ziet als het onbekende, brengt dat de nederigheid voort die essentieel is voor elk diep onderzoek.

We moeten niet vergeten dat Krishnaji God niet ontkende; hij ontkende al de concepten die de mensen aannemen over God. Hij ontkende het heilige niet; hij ontkende datgene wat door de mensen als heilig wordt beschouwd. Hij ontkende de liefde niet, maar hij ontkende al de gangbare ideeën over liefde. Hij ontkende het religieuze denkvermogen niet, maar hij ontkende alle begrippen en geloven over datgene wat religieus is. Voor hem had iets wat uit verbeelding en gedachte voortkomt weinig waarde, omdat dat het onderzoek en daardoor het waarnemen van dieperliggende waarheden blokkeert. Hij legde de waarheid in het onbekende en stond voor een benadering van de waarheid door het ontkennen van het niet ware.

Dr. Besant’s benadering van waarheid verschilde niet veel van Krishnaji’s benadering. Laat me aanhalen wat ze zei in 1913, nog vóórdat Krishnamurti’s leringen in druk begonnen te verschijnen:

Alle studenten zouden iets moeten begrijpen over het onderzoeken van het boven- fysieke, omdat zij het blinde geloof dat alles accepteert aan de ene kant en het even blinde ongeloof dat alles verwerpt aan de andere kant zouden moeten vermijden...

Theosofia 107/4 · augustus 2006        143

Ons ene grote gevaar, zoals HPB (Madame Blavatsky) herkende, is het gevaar van het vast gaan zitten in een sleur en op die manier verstenen in de vormen van geloof die door velen worden aangehangen ... De Society heeft de intentie, en heeft altijd de intentie gehad, om een levende organisatie te zijn en niet een fossiel; een levende organisatie groeit en ontwikkelt, zichzelf aanpassend aan nieuwe omstandigheden...

Niets kan fataler zijn voor een Society als de onze dan het als waar verkondigen van speciale vormen van geloof en het wantrouwend kijken naar iedereen die de verkondiging uitdaagt ... Als de Society tot ver in de toekomst wil bestaan, en ik denk dat dat zal gebeuren, dan moet er nu heel frank en vrij erkend worden dat onze kennis fragmentarisch is, dat het gedeeltelijke kennis is die onderhevig kan zijn aan grote veranderingen als we meer leren en beter gaan begrijpen...

We hebben het niet over theorieën of over verbeeldingskracht, of over een mengeling van die twee, maar over getuigenissen van observatie...

Iemand uitroepen tot een onfeilbare autoriteit op een bepaald gebied waarvan men zelf niets weet, is fanatisme in plaats van gezond verstand. Ik zou mijn eigen vrienden willen vragen dat niet met mij te doen...

Het is interessant om te zien dat de zaken die veel verschil van mening oproepen geen betrekking hebben op het leven of gedrag, maar dat het zaken zijn die, hoewel interessant als kennis, niets te maken hebben met een leidraad voor het leven van de mens...

Maar weinig mensen onderzoeken de complexiteit van datgene wat voor hen de eenvoudige handeling van het zien is. De meeste tijd is ‘zien’ weinig echt zien, maar voor een groot deel herinnering. Datgene wat we ‘zien’ noemen, is een geheel dat is samengevoegd uit de vertaling van de indruk die zojuist gemaakt is op het netvlies en de herinnering van het geheel aan indrukken uit het verleden.  

Alleen de goed getrainde en ervaren zieners kunnen de fouten vermijden die ontstaan als gevolg van het kijken naar feiten door een sluier van hun eigen gedachtevormen.

Generaties tot ver in de toekomst, met onszelf in nieuwe lichamen, zullen nog steeds bezig zijn met het verleggen van de grenzen van het onbekende; we willen niet dat onze organisaties dan belemmerd worden door onze huidige onderzoeken die dan verheven zijn tot heilige boeken en gebruikt worden als muren om onze voortgaande vooruitgang te verhinderen.”1

Je kunt de zaden van Krishnaji’s latere leringen ontdekken in de bovenstaande uitspraken van Dr. Besant. Krishnamurti nam deze uitspraken niet van haar of van iemand anders aan; hij herontdekte de waarheid ervan voor zichzelf. Al zijn leringen leggen de nadruk op het verschil tussen het kennen van een waarheid en het werkelijk  waarnemen ervan. De missie van Wereldleraar die door Dr. Besant en dhr. Leadbeater aan hem gegeven werd en die gebaseerd was op de boodschappen die door hen ontvangen werden van hun Meesters, bestond uit het geven van een nieuwe interpretatie van religie voor het tijdperk van het verstandelijke denken en dat is wat hij zijn hele leven heeft gedaan.

In december 1933, nadat Dr. Besant gestorven was en aan het einde van de Theosofische Conventie van dat jaar, werd Krishnaji uitgenodigd als spreker in de Theosophical Society in Adyar. Aan het einde van één van zijn lezingen vroeg iemand hem:

“Er wordt gezegd dat het enige dat Dr. Besant betreurde het feit was dat u gefaald hebt in haar verwachtingen van u als Wereldleraar. Sommigen van ons delen dat gevoel van spijt en teleurstelling, eerlijk gezegd, en we vinden dat het niet helemaal ongerechtvaardigd is. Hebt u hierop iets te zeggen?”

Waarop Krishnamurti antwoordde:

“Niets, mijne heren. Als ik zeg ‘niets’, bedoel ik niets om jullie teleurstelling of die van Dr. Besant op te heffen,  áls ze al teleurgesteld was, want tegen mij drukte zij het tegenovergestelde uit. Ik ben niet hier om mijzelf te rechtvaardigen; ik ben niet geïnteresseerd in het rechtvaardigen van mijzelf.
De vraag is: waarom bent u teleurgesteld, als u dat al bent? U
had gedacht mij in een bepaald hokje te stoppen en omdat ik er niet in paste, bent u natuurlijk teleurgesteld. U had een vooropgesteld idee van wat ik zou moeten doen, van wat ik zou moeten zeggen, van wat ik zou moeten denken... Uw teleurstelling is niet gebaseerd op nadenken, niet op intelligentie, niet op diepe affectie, maar op een beeld dat u zelf heeft geschapen en dat waarschijnlijk niet klopt. U zult een groep mensen vinden die u zal vertellen dat ik hen teleurgesteld heb, en zij zullen een pakket meningen creëren die vaststellen dat ik heb gefaald. Maar over honderd jaar denk ik niet dat het veel zal uitmaken of u teleurgesteld bent of niet. De Waarheid waarover ik spreek, zal blijven, niet uw fantasieën of uw teleurstellingen.”2

144        Theosofia 107/4 · augustus 2006

Aan het einde van zijn volgende lezing tijdens dezelfde bijeenkomst werd hem gevraagd: “Tijdens de Theosofische Conventie van vorige week spraken veel leiders  en bewonderaars over Dr. Besant, zij drukten grote waardering uit. Wat is uw waardering van en mening over die grote vrouw die een moeder en vriend voor u was? Wat was haar houding tegenover u gedurende de vele jaren van haar voogdijschap over u en uw broer en daarna? Bent u haar niet dankbaar voor haar leiding, opvoeding en zorg?”

Krishnaji antwoordde als volgt:

“Mr. Warrington vroeg me heel vriendelijk om hierover te spreken, maar ik heb hem gezegd dat ik dat niet wilde. Veroordeel mij nu niet door woorden te gebruiken als ‘voogdijschap’, ‘dankbaarheid’ en zo meer. Heren, wat kan ik zeggen? Dr. Besant was onze moeder, ze zorgde voor ons, ze hield van ons. Maar een ding deed ze niet. Ze zei nooit tegen me: ‘doe dit’ of ‘doe dat niet’ Ze liet ons met rust. En door dit te zeggen geef ik haar de grootst mogelijke waardering ...”

We moeten wel bedenken dat hun relatie geen gewone familierelatie was. Het was een relatie van ware liefde en affectie, tussen twee buitengewone wijze mensen die op zoek waren naar waarheid. Zo’n relatie is niet gebaseerd op verwachtingen en zoekt geen bijval of dankbaarheid van elkaar. Een verlichte moeder wil dat haar kind trouw is aan zijn of haar meest innerlijke ervaringen en volgt wat het als waarheid beschouwt. Dit is wat Dr. Besant zelf in haar eigen leven deed en te denken dat ze iets minders zou hebben verwacht van haar zoon getuigt van onwetendheid. Het was een relatie die gebaseerd was op ware liefde en respect voor elkaar, wat niets te maken heeft met vragen voor bijval of vervulling en nog veel minder met wat voor gehoorzaamheid dan ook.

De voornaamste verdeeldheid tussen de leiders van de Theosophical Society toen, in 1929, en Krishnaji’s leringen was dat zij geloofden dat verschillende religies verschillende paden naar Waarheid zijn en Krishnaji zei: “Waarheid is een land zonder paden”. De rest was alleen maar een politieke verdeeldheid die voortkwam uit de persoonlijke sympathieën en antipathieen van hen die er belang bij hadden en die gekwetst waren omdat ze niet vrij waren van egocentrische reacties. Dr. Besant was zeker niet in staat tot zulke reacties. Haar enige bezorgdheid in 1930, toen Krishnaji en de theosofische leiders hun eigen wegen gingen, was haar verontrusting over Krishnaji’s toekomst en ze haalde enkele van haar beste en naaste helpers over om hun lidmaatschap van de TS op te geven en met Krishnaji mee te gaan om hem te beschermen.3

In werkelijkheid zei ze tegen Krishnaji dat ze van plan was om af te treden als president van de TS en dat zij alleen nog maar aan zijn voeten wilde zitten en luisteren naar zijn leringen; maar hij stond haar dat niet toe. Dr. Besant was de enige persoon die er nooit aan twijfelde of  Krishnaji de wereldleraar was. Ze had iedereen gewaarschuwd dat als de Wereldleraar zich zou manifesteren hij wel eens dingen zou kunnen zeggen die totaal het tegendeel zouden kunnen zijn van wat zij verwachtten. Sri Achyut Patwardhan vertelde me in Rajghat, dat zij de gewoonte had hen er op te wijzen nooit te verwerpen wat Krishnaji zei, ook al verschilde hun meningen veel met de zijne, omdat zijn bewustzijn erg ver kon zien. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat men blind moet aannemen wat hij zegt, maar er naar luisteren met respect en het zorgvuldig overwegen zonder het meteen te verwerpen. Dat bedoelt Krishnaji als hij het heeft over het ‘bij de vraag blijven’.

Theosofia 107/4 · augustus 2006        145

In navolging van wat K in 1928 zei sloot Dr. Besant de Esoterische afdeling in de hele wereld en zij schreef hem: “Geliefde, ...ik hef de ES helemaal op voor onbepaalde tijd  en laat al de leringen aan jou over. Ik heb mijn best gedaan om het terrein voor jou vrij te maken, voor jou, de enige autoriteit.” 4 Die winter in Adyar stond ze erop om op de grond te zitten met de rest van de toehoorders, in plaats van bij hem op het podium!

Andere leiders van de TS waren het toen niet met haar handelingen eens, omdat ze de leringen van K niet konden accepteren. Zij vroegen haar de ES te heropenen, zeggende dat de TS geloofde in meerdere paden naar Waarheid en dat K zijn eigen pad kon volgen, maar dat zij het recht hadden op hun eigen pad. Daarom moest Dr. Besant de ES weer openstellen. We moeten ons realiseren dat zij als president van de TS andere leden niet kon dwingen om haar inzichten te accepteren, omdat de statuten van de TS iedereen toestaan om een eigen mening te hebben en aan niemand het recht geven om die eigen mening aan de organisatie op te leggen. In die zin is de TS een ware democratische en wereldlijke organisatie met vrijheid voor elk lid om waarheid te zoeken op de manier waarvoor men kiest, zonder respectloos te zijn naar anderen. Omdat de andere oudere leden van de TS K’s leringen niet wilden accepteren en de ES weer opengesteld wilden hebben, had zij geen andere optie dan aan dit verzoek te voldoen.

Krishnaji beschreef de situatie heel helder in zijn brief aan Dr. Besant van februari 1930:

“Mijn zeer geliefde moeder. Ik weet het en het maakt me niets uit dat CWL tegen mij is en tegen datgene wat ik zeg, maar maak je er alsjeblieft geen zorgen over. Dit is allemaal onvermijdelijk en in zekere zin ook noodzakelijk. Ik kan niet veranderen en ik neem aan dat zij niet zullen veranderen en daarom is er een conflict. Het doet er niet toe wat een  miljoen mensen zegt of niet zegt. Ik ben zeker van wat ik ben en ik ga mijn weg.”5

In december 1933, schreef hij naar mw. Emily Lutyens: “We hebben niets tegen de TS en hun leringen. Ik vecht niet tegen hen, maar tegen de ideeën en idealen van de wereld.”

Zo moest de man die tot “Wereldleraar” uitgeroepen was die titel opgeven om de Wereldleraar te kunnen worden! Zijn hele leven hield Krishnaji een warme genegenheid voor de TS en hij bleef betrokken bij haar welzijn. Hij hielp de Society als hij dacht dat het nodig was. Tijdens de laatste vergadering van de Krishnamurti Foundation in India waarbij hij aanwezig was, in 1986, wilde iemand hem een vraag stellen: “Meneer, toen u de Theosophical Society verliet, ...” maar Krishnaji onderbrak hem en zei met sterke nadruk: “Wacht even, meneer. Laat me dit volstrekt duidelijk maken. Ik heb de Theosphical Society nooit verlaten. Zij wilden me daar niet”.

De volgende dag ging ik naar hem toe en vroeg: “Meneer, als de TS vandaag tegen u zou zeggen dat zij de ES zullen sluiten en uw leringen accepteren als de basis voor het onderzoek naar Waarheid, zou u dan terug willen gaan?” Hij luisterde intens en vroeg me geanimeerd: “Biedt iemand dat aan?” Ik zei: “Nee, nog niet, maar als ze het zouden doen, zou u het dan accepteren?” Zijn antwoord was: “Als ze het doen, kunnen we het in overweging nemen.” Hij wilde niet ingaan op een hypothetische vraag, maar hij stond ervoor open om het in overweging te nemen als de vraag naar voren zou worden gebracht!

De laatste ontmoeting tussen Krishnaji en Dr. Besant vond plaats in november 1932, toen Krishnaji haar opzocht op haar doodsbed. (Dr. Besant stierf op 20 september 1933). We weten niet wat er toen tussen hen plaatsvond, maar de volgende denkbeeldige conversatie geeft volgens mij de essentie en het karakter van hun relatie passend aan. Deze zin komt uit een toneelstuk over het leven van Dr. Besant, geschreven en geënsceneerd door Dr. Irawati van het Vasanta College for Women van Rajghat in Varanasi.

146        Theosofia 107/4 · augustus 2006

A.B. Krishna, mijn zoon, wat ga je doen als je hier weg gaat? We hebben je niet geleerd om in je onderhoud te voorzien.

K. Maak je geen zorgen, moeder. Als er iets in me zit, zal ik drijven op de zeeën van het leven en als er niets is, laat me dan zinken!

Het herinnert me aan de laatste conversatie tussen Krishnaji en mij, toen ik hem bezocht aan zijn doodsbed in Ojai, Californië, in februari 1986:

K. Meneer, heeft u genoeg geld voor uzelf, uw vrouw en uw kinderen?

P.K. Ja, meneer. Ik heb genoeg geld voor de manier waarop we willen leven.

K. Dat mag u denken, meneer, maar ik denk het niet! Ik wil dat u weet dat ik u volkomen vertrouw.

P.K. Ik zal uw vertrouwen niet beschamen, meneer.

K. Meneer, domineer nooit iemand en laat niemand u ooit domineren.

P.K. Meneer, het eerste beloof ik, het tweede zal ik proberen.

Tot besluit wil ik alleen maar zeggen dat we de kwaliteit van de liefde van J. Krishnamurti en Dr. Annie Besant en hun relatie niet ten volle kunnen begrijpen, totdat we hun niveau van wijsheid bereiken. Tot dan kunnen we beter niet speculeren, oordelen of motieven toekennen aan hun handelingen.


Documentatie:

1. Adyar Pamflet nr 36. 1913

2. The Collected Works of J. Krishnamurti. Vol.I. KFA Ojai CA 1991 p.165.

3. Pupul Jayakar, J. Krishnamurti: A Biography. Penguin Books New Delhi 1986 p.83

4. Mary Lutyens, Life and Death of Krishnamurti. Srishti Publishers New Delhi 1991 p.76

5. Ibid. p.81.

Uit: The Indian Theosophist,

oktober 2005

Vertaling: F.v.I.

Daar beweging alles doordringend is, en volkomen rust ondenkbaar,
en omdat onder welke vorm of masker
beweging zich ook vertoont,
als licht, hitte, magnetisme, of elektriciteit –
moeten deze alle facetten zijn van Eén en dezelfde universele almachtige Kracht,
die we kortweg noemen:
‘het Ene Leven’, de ‘Ene Wet’....


De Brieven van de Meesters

Theosofia 107/4 · augustus 2006        147

Terug naar Theosofische Vereniging Website