De Boeddha en Tolkien

De Vier Nobele Waarheden in Sprookjes

John Algeo

f-algeo1

Dr. John Algeo is internationaal vice-president van de TS en professor emeritus van de universiteit van Georgia, VS. Hij is in het bezit van veel academische onderscheidingen.

Het leven van de Boeddha, zoals dat verteld wordt in traditionele verhalen is een soort sprookje met thema’s uit veel andere sprookjes, geestelijk zowel als wereldlijk. Hij werd geboren uit zijn moeder na een magische conceptie en terwijl zij in het buitenland op reis was. Hij werd opgevoed als een prins die niets anders om zich heen zag dan gezondheid en geluk, maar die vier visioenen kreeg die zijn leven veranderden. Hij deed afstand van het comfort en de luxe van het huis van zijn vader en onderging grote beproevingen en leed groot gebrek in de wildernis. Hij werd aangevallen door de grote Verleider, maar hij gaf niet toe. Hij maakte de crisis van zijn leven door onder een boom en trad daaruit naar voren om zijn voormalige volgelingen te ontmoeten en om tot de wereld te prediken. Het leven van de Boeddha was een mengsel van sprookjesmotieven.


Sprookjes zijn al heel oud maar ook heel modern. De populariteit van de twee filmreeksen Harry Potter en The Lord of the Rings wijst op het feit dat deze werken moderne voorbeelden zijn van het sprookjesgenre. Tegenwoordig worden moderne sprookjes vaak fantasieromans genoemd, maar zij zijn in essentie hetzelfde. De Harry Potter boeken en The Lord of the Rings zijn moderne sprookjes die alle essentiŽle kenmerken gemeen hebben van traditionele verhalen van het genre.

Een theorie over de fantasieliteratuur werd uiteengezet door J.R.R. Tolkien, een filoloog en auteur van The Lord of the Rings, in een lezing die hij hield in 1938 aan de universiteit van St. Andrews in Schotland en die hij later uitgaf als een opstel ‘On Fairy Stories’ (Over sprookjes). In dit opstel wijst Tolkien erop dat sprookjes niet over feeŽn gaan, maar veeleer over een menselijke held op een zoektocht in het land van FaŽrie, een betoverde en gevaarlijke plaats – mooi, maar niet vriendelijk voor stervelingen. De traditionele beginzin van sprookjes, ‘Er was eens…’ plaatst het verhaal buiten onze tijd en plaats, in een andere dimensie van realiteit, het land van FaŽrie.

110        Theosofia 104/3 juni 2004

In zijn opstel wijst Tolkien ook op de vier gebruiksmogelijkheden of waarden van sprookjes. Die waarden zijn ontsnapping, herstel, troost en fantasie. En zij zijn te vinden in Harry Potter en in The Lord of the Rings, evenals in oudere, traditionele voorbeelden van het genre.

Wat ook vermeldenswaard is, is dat Tolkiens vier waarden van sprookjes gezien kunnen worden als parallel lopend aan de vier Nobele Waarheden die de Boeddha ontdekte in zijn meditatie onder de Bodhiboom en die de basis van het Boeddhisme vormen. Laten we eens kijken naar zowel Tolkiens waarden als naar de waarheden van de Boeddha om te zien wat ze gemeen hebben.

Ontsnapping en Frustratie

Tolkien zegt dat ťťn waardevol aspect van sprookjes is dat zij een ontsnappingsweg bieden. Ontsnapping wordt vaak gezien als onjuist, een soort plichtsverzaking en men denkt dat ontsnappingsliteratuur psychologische schade berokkent. Maar dat oordeel stemt niet overeen met de realiteit die wij allen ervaren. Tolkien wijst erop dat het zinloos is tegen een gevangene te zeggen dat hij niet mag ontsnappen. Als wij gevangen zitten zoeken wij een manier om vrij te komen.

Veel religieuze geschriften, westerse zowel als oosterse, schilderen ons leven in deze wereld af als een soort gevangenhouding die schreeuwt om ‘redding’ of ‘bevrijding’. Dus om ontsnapping. Redding is een ontsnapping uit de ziekte van het zondig zijn naar de gezondheid van geheiligd bestaan. Bevrijding is ontsnappen aan de banden van karma naar de vrijheid van nirvana.

De Eerste Nobele Waarheid van de Boeddha is dat het bestaan teleurstelling, pijn of lijden inhoudt. En die eigenschap van het bestaan komt voor uit het feit dat wij allemaal onszelf zien als een wezen, afgescheiden van alle anderen, terwijl er in feite geen afgescheidenheid van bestaan is in wie ook van ons. Als we zoeken naar een afgescheiden kern in ons wezen, ontdekken we, in de woorden van de Amerikaanse dichter Gertrude Stein, dat ‘er geen daar bestaat’, maar alleen leegte. Bovendien verandert alles wat bestaat voortdurend en is onstabiel. Instabiliteit, leegte en pijnlijke frustratie – dit zijn situaties waaruit we graag willen ontsnappen. De grote wijze uit de Vedanta, Sankaracharya, verklaarde: uiteindelijke realiteit is onveranderlijk Zijn, Bewustzijn en Gelukzaligheid – en dat zijn situaties waarnaar wij graag willen ontsnappen.

Het leven van de Boeddha is een voorbeeld van ontsnapping uit de teleurstelling, de leegte en de instabiliteit van dit leven; en zijn dharma wijst ook de weg aan anderen om te ontsnappen naar Zijn, Bewustzijn en Gelukzaligheid.

Herontdekking en oorzaak

Het tweede waardevolle aspect van sprookjes, volgens Tolkien, is herontdekking. Herontdekking is veeleer het opnieuw ontdekken van een kinderlijke respons op wat nieuw is, in plaats van de conditionering waar de meesten van ons op vertrouwen als een leidraad bij al onze ervaringen. Wanneer we heel jong zijn reageren we fris op elke nieuwe ervaring, want we hebben niets in dit leven om het mee te vergelijken. Maar naarmate we ouder worden, houden we op met op nieuwe manieren te reageren op nieuwe ervaringen, in plaats daarvan beginnen wij te reageren uit gewoonte of conditionering. In plaats van het nieuwe te waarderen beginnen we het te associŽren met het oude, en aldus niet te reageren op feitelijke ervaringen maar op onze herinneringen aan voorbije soortgelijke ervaringen. Sprookjes, zei Tolkien, helpen ons bij het hervinden van de frisheid van de reactie van een kind op wat nieuw is.

Toen Christus zei dat niemand het koninkrijk der hemelen binnen kan gaan tenzij hij is als een klein kind, zou hij best de waarde van herontdekking bedoeld kunnen hebben. Wij moeten het gevoel van nieuwheid die het kind kenmerkt herontdekken als wij de nieuwheid van de hemel willen bereiken. Evenzo staat er een mantra in de Bhagavad Gita, nl. Om Tat Sat, die vertaald zou kunnen worden (voor zover dat mogelijk is) als ‘O, Dat Wezen’. Maar een taalkundige, Tom McArthur, heeft het vertaald in eigentijds idioom als ‘Tja, zo is het nu eenmaal’. Wij moeten het vermogen herontdekken om op een nieuwe manier te reageren op nieuwe dingen, om te erkennen ‘dat het nu eenmaal zo is’.

Theosofia 104/3 juni 2004        111

De tweede Nobele Waarheid van de Boeddha is dat lijden, pijn en teleurstelling een oorzaak hebben. Lijden, pijn en frustratie zijn niet gewoon ‘zo is het nu eenmaal’; het zijn geen onvermijdelijke situaties. Het zijn veroorzaakte situaties, en wij kunnen die oorzaak identificeren. Die oorzaak kan op vele manieren beschreven worden, als gehechtheid, hebzucht, haat of egoÔsme, maar in principe is het een onwetendheid over de manier waarop de dingen werkelijk zijn. Tolkien zegt feitelijk dat de oorzaak onze conditionering is, die wij moeten overwinnen door de herontdekking van ons gevoel voor het nieuwe – ons bewustzijn van ‘zoals het nu eenmaal is’.

Troost en een einddoel

Tolkiens derde waarde van sprookjes is troost. Op een zuiver literair niveau verwijst troost naar het feit dat alle ware sprookjes eindigen met de regel ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Op een algemener niveau verwijst troost naar het feit dat er twee fundamentele gezichtspunten zijn over het leven. De ene is dat het leven een vergissing is die slecht gaat aflopen, en het beste wat we doen kunnen is de slechte afloop met dapperheid en waardigheid tegemoet treden. Dat is de tragische kijk op het leven. Het is het gezichtspunt van Griekse drama’s zoals Oedipus en van Angelsaksische gedichten zoals The Battle of Maldon.

Het andere gezichtspunt is dat het leven ordelijk is en een doel heeft en goed gaat aflopen, mits we meegaan met de stroom van het leven en meegeven. Dat is het standpunt van het sprookje. Elke tragedie heeft een catastrofe (letterlijk een ‘keerpunt’), wanneer de hoofdfiguur transformeert van een overwinnaar tot een slachtoffer; het is bijvoorbeeld het moment waar koning Oedipus ontdekt dat hij zonder het te weten zijn vader gedood en zijn moeder gehuwd had. Aan de andere kant, elk sprookje heeft wat Tolkien noemt een ‘eucatastrofe’ (letterlijk een ‘goed keerpunt’), wanneer de held getransformeerd wordt van een slachtoffer in een overwinnaar; dat is het moment, bijvoorbeeld, wanneer de Prins merkt dat het glazen muiltje aan de voet van Assepoester past. Tolkien, een devoot Christen, noemde de evangeliŽn het grootste sprookje ooit geschreven, omdat zij de eucatastrofe bevatten van de wederopstanding, toen Christus opstond uit de dood, met de belofte dat wij dat ook mogen doen.

De derde Nobele Waarheid van de Boeddha is dat er einde is aan lijden, pijn en teleurstelling. Het is niet genoeg te weten dat die omstandigheden een oorzaak hebben; we moeten ook erkennen dat er de mogelijkheid bestaat dat zij een keer ophouden. Het einde van lijden is nirvana, het ‘uitblazen’ van gehechtheid, hebzucht, haat, zelfzucht en onwetendheid. Tolkien zegt ook dat het einde van het leven een eucatastrofe is en de troost van een gelukkig slot.

Fantasie en de Weg

De vierde waarde van sprookjes, volgens Tolkien, is fantasie. Normaliter zouden wij niet aan fantasie denken als zijnde een waarde, maar wij moeten begrijpen wat Tolkien ermee bedoelde. Fantasie is de eigenschap die wij allemaal bezitten om iets te bedenken dat wij nog nooit eerder gezien hebben of gehoord of ervaren. Wij hebben een aantal vermogens: met het geheugen bedenken wij het verleden; door perceptie bedenken wij het heden; door te anticiperen bedenken wij de toekomst. Maar er is een tijdloos rijk, anders dan het verleden, het heden en de toekomst; het is de wereld van de ongerealiseerde mogelijkheden. In dat rijk wonen alle dingen die niet bestaan, maar die zouden kunnen bestaan. Het zijn alle werelden die alternatieven vormen voor onze feitelijke wereld. Door het vermogen van fantasie kunnen wij delen van die wereld bedenken, ja zelfs creŽren.

112        Theosofia 104/3 juni 2004

Niemand heeft ooit feitelijk een eenhoorn gezien – behalve de pantoffelheld in ťťn van de fabels voor onze tijd van James Thurber. In die fabel ziet de man een eenhoorn in de tuin, en de eenhoorn eet rozen. Dat vertelt hij aan zijn bazige vrouw, die antwoordt: ‘De eenhoorn is een mythisch beest. En jij bent een gek, dus ik ga jou in het gekkenhuis stoppen.’ En zij belt de psychiatrische inrichting die een ziekenwagen stuurt met mannen in witte jassen die op de man aflopen en zeggen: ‘Uw vrouw vertelt ons dat u een eenhoorn hebt gezien en dat die de rozen aan het verorberen was.’ De man antwoordt: ‘De eenhoorn is een mythisch beest. Arme vrouw, ik ben bang dat zij helemaal gek geworden is.’ Dus nemen de mannen in de witte jassen de vrouw mee en stoppen haar in het gekkenhuis. De moraal van dit verhaal is, ‘Tel nooit je gekken voor ze uitgebroed zijn.’

Ook al zijn eenhoorns misschien mythische beesten, ze zijn geschapen door middel van fantasie – iets nieuws uit oude ervaringen. En het is nu moeilijk ons een wereld voor te stellen waarin eenhoorns niet bestaan als mogelijke schepselen, of ze nu wel of niet bestaan in de primaire wereld van onze perceptie. Tolkien noemt schepselen zoals eenhoorns – of zijn eigen Middel-aarde of J.K. Rowling’s Tovenaarswereld van Zweinstein – een ‘secundaire wereld’, die ‘secundair geloof’ oproept, in tegenstelling tot de ‘primaire wereld’ waarin we ‘primair geloof’ hebben.

Wij hebben allemaal het vermogen om te fantaseren – om iets nieuws te scheppen – omdat wij, in Tolkiens  Christelijke termen, geschapen zijn naar het beeld en de gelijkenis van God; en daar God een schepper is moeten wij, die naar zijn beeltenis gemaakt zijn, ook scheppers zijn. In theosofische termen, alle mensen zijn Dhyan Chohans in opleiding. Dhyan Chohans zijn de scheppende intelligenties van het universum die de bouwers zijn van de kosmos. Wanneer wij volkomen Dhyan Chohans geworden zijn, zullen ook wij nieuwe primaire werelden scheppen, maar intussen kunnen wij onze eigenschap van fantaseren gebruiken om secundaire werelden te scheppen. Aldus is fantasie ons middel om de baan waarvoor we in opleiding zijn aan te leren.

De vierde Nobele Waarheid van de Boeddha is dat er een manier is om een eind te maken aan het lijden, de pijn en de frustratie. Die manier is zijn Nobele Achtvoudige Pad, dat zich uitstrekt van een ‘juiste opvatting’ van de dingen (hetgeen betekent erkennen ‘dat het nu eenmaal zo is’) tot ‘juiste samadhi’. Samadhi is etymologisch een ‘samenstellen’ of een yoga. Tolkiens yoga is het beoefenen van fantasie. Door fantasie te beoefenen kunnen wij allemaal scheppers zijn, scheppers van ons eigen sprookje.

De Engelse toneelschrijver J.B. Priestly heeft eens gezegd dat wij allemaal sprookjes van onze eigen schepping uitleven.

Wij kunnen niet allemaal zulke rijke en vaardige sprookjes schrijven als de boeken over Harry Potter of The Lord of the Rings. Maar wij kunnen allemaal zulke verhalen lezen. En een verhaal lezen is haar te componeren, ‘samen te stellen’ (dit is wat het woord ‘componeren’ etymologisch betekent.) Ieder verhaal is in werkelijkheid evenveel verschillende verhalen als er lezers zijn, want elke lezer brengt een andere achtergrond en andere verwachtingen mee bij het lezen van het verhaal, waardoor het een ander verhaal wordt voor ieder van ons. Als wij een verhaal lezen of horen, scheppen wij het in feite opnieuw voor onszelf. En dat is ook een symbool.

Het Ene Zelf van het universum – de Logos, Isvara, God of hoe we het ook noemen – heeft een sprookje geschreven, een fantasie, die het universum is. En dat Ene Zelf leest het verhaal door onze ogen, want wij zijn het Ene Zelf dat verscheidene rollen speelt in het verhaal door en over zijn Zelf. En voor ieder van ons is het verhaal anders. En voor ieder van ons is het verhaal hetzelfde. Het verhaal is hetzelfde voor iedereen omdat het een plot of Plan heeft. Het verhaal is verschillend voor ieder van ons omdat wij ieder een andere rol erin moeten spelen.

Theosofia 104/3 juni 2004        113

Het leven en de leringen van de Boeddha zijn een verhaal over ontsnapping aan de frustraties van onwetendheid, haat en hebzucht. Ze vormen een verhaal over de herontdekking van bewustzijn over de oorzaak van dingen. Zij zijn een verhaal met de troost van een eucatastrofe die leidt tot de verlichting van het nirvana. Zij zijn een model en door dat te volgen kunnen wij een wereld scheppen die wij niet op een andere manier ervaren hebben. In de wereld van onze ervaring is die wereld een fantasie. Maar voor het Ene Zelf van het universum is het de enige Realiteit.

Uit: The Theosophist, maart 2003
Vertaling: A.M.I.

Het occultisme is geen magie,
hoewel de magie een van zijn gereedschappen vormt.
Het occultisme is niet het verwerven van vermogens, zij het paranormaal of intellectueel,
hoewel beide hem ten dienste staan.
Noch is het occultisme het zoeken naar geluk,
zoals de mensen dit woord begrijpen;
want de eerste stap is opoffering,
de tweede verzaking.
Occultisme is de wetenschap van het leven,
de kunst om te leven.

H.P. Blavatsky

114        Theosofia 104/3 juni 2004

Terug naar Theosofische Vereniging Website

Terug naar Theosofia 104/3 juni 2004

Terug naar Theosofische Vereniging Website